1. Doel van dit rapport

De partners van het ‘convenant Schone en Zuinige Agrosectoren’, kortweg Agroconvenant, werken al sinds juni 2008 op gestructureerde wijze aan energie en klimaat in de landbouw. Deze werkwijze is steeds voortgezet, ondanks de vele ontwikkelingen in de landbouw en bijstellingen van het beleid door verschillende kabinetten. RVO.nl heeft in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de convenantpartners gefaciliteerd met veel activiteiten. Het doel van dit rapport is om het resultaat te beschrijven van ‘tien jaar Agroconvenant’, inclusief de inzichten die daarbij zijn ontstaan. Het gaat met name om energiebesparing, opwekking van hernieuwbare energie en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Er is getracht om een genuanceerd beeld te schetsen van de complexiteit van het realiseren van klimaatdoelen, waarbij zowel het verduurzamingsperspectief als het handelingsperspectief van ondernemers aan bod komen.

2. Wat ging goed?

De agrosectoren zijn als enige sector in Nederland doorgegaan met de ambitieuze doelen van het Schoon & Zuinig programma uit 2008. Ze liggen goed op koers om de meeste doelen in 2020 te realiseren. Op hoofdlijnen heeft het convenant goed gewerkt. De werkgroepen van het convenant vormden de basis van een stevig netwerk. Dankzij de samenwerking, met onder andere de sector natuur, bos, landschap en houtketen (NBLH), zijn diverse cross-sectorale verbanden ontstaan. Ook is er een continue verbetering geregistreerd in het gedrag van ondernemers en is een meer integrale benadering gerealiseerd.  De landbouw heeft een cruciale rol gespeeld bij de ontwikkeling van hernieuwbare energie in Nederland. Bijna de helft van het budget van de SDE+ over de afgelopen tien jaar, is gerealiseerd met betrokkenheid van de landbouwsector (inclusief glastuinbouw). Daarnaast zijn ook op andere gebieden grote bedragen geïnvesteerd, zoals de  vanuit ander beleid verplichte stalaanpassing en -vernieuwing. Er is veel draagvlak voor het streven naar energieneutrale sectoren, zoals de energieneutrale melkveehouderij. Inmiddels wordt ruim 80% van het finaal eindgebruik van de landbouw (zonder glastuinbouw) aan hernieuwbare energie opgewekt.  

3. Wat zijn de belangrijkste lessen?

Naast bovenstaande positieve punten zijn er ook lessen te trekken voor de toekomst:

  • Productie van hernieuwbare energie vermindert vooral de inzet van fossiele brandstoffen bij elektriciteitsproductie. De bijdrage van de landbouw in die vermindering is niet zichtbaar in de landelijke emissieregistratie, omdat de emissie van elektriciteitsproductie aan de energiesector wordt toegeschreven. Ook een energieneutrale melkveehouderij is niet zichtbaar in de landelijke emissieregistratie, omdat de melkveehouderij vooral elektriciteit gebruikt. Het is van belang om de effecten van inspanningen van de sector ook daadwerkelijk zichtbaar te maken in de monitoring.
  • In het bedrijfsleven is een internationale ketenbenadering gangbaar, met focus op verlaging van de carbon footprint. De overheid gaat in het klimaatdossier echter uit van een nationale afbakening in sectoren. Effecten in het buitenland worden niet meegenomen in de nationale emissieregistratie, maar wel in de carbon footprint, waardoor de trends uiteen kunnen lopen. Overheid en bedrijfsleven kijken naar andere trends, waardoor de waardering van inspanningen en effecten kan afwijken. Ter illustratie zijn beide trends van 1990 tot 2016 gepresenteerd in de onderstaande figuur voor varkensvlees (Blonk, 2018). De sectoremissie in Nederland werd hoofdzakelijk bepaald door methaan uit mest, waarbij mestsamenstelling en het aantal dieren belangrijke factoren waren. Ook daalde het gasgebruik in de varkenshouderij aanzienlijk. De carbon footprint toont daarnaast de totale  systeemefficiency van varkensvlees, ongeacht het aantal dieren dat wordt verwerkt. Er wordt dan zichtbaar dat circa 40% van de emissie van varkensvleesproductie in het buitenland plaatsvindt. Ook de emissies van bijvoorbeeld voerproductie en slachterij spelen dan een rol.         
Figuur A. Carbon footprint versus sectoremissie in de varkenshouderij (Blonk, 2018)

Figuur A. Carbon footprint versus sectoremissie in de varkenshouderij (Blonk, 2018).

  • Maatregelen voor methaan en lachgas grijpen vaak ook in op andere gebieden, zoals ammoniak, fosfaat, geur, fijnstof, dierenwelzijn en water. Ook is er nauwelijks een verdienmodel voor die maatregelen, waardoor er nog weinig draagvlak is bij ondernemers.
  • De systematiek van vastleggen en toerekenen van emissies, is in de landbouw wellicht het meest complex van alle sectoren. Driekwart van de landbouwemissie komt van dieren en bodems, en is door het biogene karakter moeilijk kwantificeerbaar. Vooral de emissies van methaan en lachgas kennen een hoge mate van onzekerheid. Ze worden bepaald op basis van landbouwtellingen en emissiefactoren.
  • Behalve het uitstoten van broeikasgassen worden ook grote hoeveelheden koolstof vastgelegd in bossen en bodems. Ook het vastleggen van CO2 in landbouwbodems, bossen en natuur is complex, en lastig om in rekenmodellen te vatten. De EU verplicht alle lidstaten om ook deze broeikasgasprestaties te monitoren met als streven dat er door verandering in beheer en gebruik, zoals bosuitbreiding, netto emissies worden gereduceerd.
  • De monitoring van energiegebruik en opwekking van hernieuwbare energie in de landbouw is niet optimaal. Door het grote aantal ondernemingen in de primaire sector is individuele monitoring lastig, waardoor met steekproeven wordt gewerkt.

4. Emissies

In 2016 wordt circa 14% van de totale Nederlandse emissie van broeikasgassen aan de landbouw toegeschreven (Emissieregistratie 2018). Het betreft in afnemende omvang methaan (48%), kooldioxide (28%) en lachgas (24%). Het type broeikasgas markeert in grote lijnen ook de aard van de emissies:

  • Methaan komt vooral uit de veehouderij, waarbij pensfermentatie bij koeien en methaan uit mest de grootste bronnen zijn.
  • Lachgas komt hoofzakelijk uit bodemprocessen, zowel bij bemesting met kunstmest en dierlijke mest als bij de afbraak van gewasresten.
  • Kooldioxide komt hoofdzakelijk uit verbranding van fossiele brandstoffen, waarbij de glastuinbouw circa 77% van het energiegebruik in de landbouw voor haar rekening neemt.
Verdeling emissie landbouwsector over drie groepen CO2-eq (Mton)
CO2-eq (Mton)19902016
Veehouderij (mn methaan)15,613,5
Gewasteelt (mn lachgas)9,45,7
Fossiel energieverbruik op locatie (CO2)7,77,3

Figuur B. Verdeling emissie landbouwsector over drie groepen.

Brontabel als csv (145 bytes)

Het oorspronkelijke doel voor CO2-reductie uit het gebruik van fossiele brandstoffen was 3,5 Mton CO2 in 2020. Dit was vooral te bereiken door de inzet van WKK’s in de glastuinbouw. Rond 2010 was de beoogde inzet van WKK in de glastuinbouw al bereikt, inclusief de beoogde CO2-reductie. Het huidige doel is een maximale emissie van 4,6 Mton CO2-equivalenten in 2020 (zie hoofdstuk drie). De CO2-doelstelling voor 2020 voor de glastuinbouw wordt gemonitord aan de hand van sectorcijfers van WEcR. Er is een CO2-sectorsysteem, waarmee jaarlijks het doelbereik wordt bepaald. Het verschil tussen de sectordata die gehanteerd worden bij de naleving van het sectordoel en de data van de landelijke emissieregistratie, vraagt om aandacht. Het doel voor reductie van methaan en lachgas was 4-6 Mton, terwijl de reductie in 2016 uitkomt op 5,8 Mton CO2-equivalenten. Het doel was al eerder gerealiseerd, de laatste jaren stijgt de emissie weer iets.  

5. Energie

Het energiegebruik in de landbouw is gedaald van 153 PJ in 1990 naar 122 PJ in 2016, waarbij de grootste daling optreedt in de glastuinbouw. De productie van hernieuwbare energie in de landbouw is gestegen naar 26,8 PJ in 2016. De landbouw (zonder glastuinbouw) gebruikte 27,9 PJ in 2016 (bron: WEcR), terwijl 22,6 PJ aan hernieuwbare energie werd geproduceerd in 2016. Het punt waarop meer energie wordt geproduceerd dan gebruikt komt dichtbij (figuur C).

Figuur B

Figuur C. Finaal energiegebruik en hernieuwbare energie in de landbouw exclusief glastuinbouw

6. Kennis, houding en gedrag bij ondernemers

Er zijn gedurende het convenant regelmatig grote telefonische enquêtes (>500 ondernemers) gehouden om de ontwikkeling in kennis, houding en gedrag bij agrarische ondernemers te volgen. Ook is tussen 2012 en 2015 een grote communicatiecampagne gehouden (CLM, 2018). Kennis over methaan en lachgas blijkt moeilijk over te dragen. De attitude ten aanzien van emissiereductie varieert sterk in de drie enquêtes, maar gemiddeld is driekwart van de ondernemers bereid de emissies te reduceren, mits dit kosteneffectief is. Ondernemers zijn nog terughoudend met het treffen van maatregelen voor methaan en lachgas, maar er zijn goede vorderingen gemaakt op het gebied van energie. Dat geldt vooral voor de implementatie van hernieuwbare energie (figuur D).   

Figuur c

Figuur D. Voortgang implementatie van hernieuwbare energie

De glastuinbouw en de natuur, bos, landschap en houtsector (NBLH) zijn in deze enquêtes buiten beschouwing gelaten. De glastuinbouw heeft een eigen innovatie- en actieprogramma (Kas als Energiebron). De bereidheid om energie te besparen en duurzame energie toe te passen in de glastuinbouw, blijkt uit de grote hoeveelheid deelnemers aan het cursusprogramma Het Nieuwe Telen. Daarnaast vallen de investeringen in aardwarmte en bio-energie op. De NBLH sector kan niet zonder meer worden vergeleken met andere primaire sectoren, maar haar inzet van de afgelopen jaren heeft bewerkstelligd dat door toegenomen kennis en inzicht bij ‘de achterban’, beheer en oogstmethoden worden toegepast die in toenemende mate gericht zijn op het verwaarden van  vrijkomend materiaal uit de terreinen. De sector vormt daarmee een cruciale schakel in zowel het verwaarden van biomassa, het vastleggen van koolstof en de productie van hernieuwbare energie.   

7. Instrumenten

Om de energie- en klimaatdoelen te halen heeft de overheid een breed palet aan stimulerende instrumenten ingezet. Voor de glastuinbouw waren dat zowel generieke als specifieke instrumenten, voor de landbouw (exclusief glastuinbouw) waren dat alleen generieke instrumenten. In tabel A is een overzicht gegeven van enkele CO2-relevante instrumenten die door RVO.nl zijn uitgevoerd.  

Tabel A. Overzicht van relevante subsidie en fiscale instrumenten RVO.nl periode 2009-2016

Instrument

Totaal budget

(miljard euro)

Aandeel agrosector,

incl. glastuinbouw

SDE+

26,7

11,9 (45%)

MIA/VAMIL

1,1

0,6   (55%)

EIA

1,1

0,1   (  9%)

Groen Beleggen

5,0

3,1   (61%)

DEI

0,1

0,02 (19%)

De landbouw is een belangrijke speler op het gebied van hernieuwbare energie blijkt uit de SDE+. De MIA\Vamil betreft milieu-investeringen, en is voor de sector ook een belangrijk instrument. Mede als gevolg van de AMvB Huisvesting is tussen 2009 en 2016 voor ruim drie miljard euro geïnvesteerd in stalvernieuwing, met fiscale ondersteuning van MIA\Vamil.

8. Maatregelen

De jaarlijkse emissies, inclusief de achterliggende oorzaken van veranderingen daarin, zijn beschreven in de National Inventory Report (NIR). Daarnaast geeft de carbon footprint van producten een beeld van emissies in een hele keten, inclusief effecten in het buitenland. Zo treden emissies bij pluimveevleesproductie voor driekwart op in het buitenland. Focus op emissies in Nederland kan dan tot suboptimale oplossingen leiden. Onderstaand per sector en keten een korte samenvatting.   

Melkveehouderij

De melkveehouderij is binnen de landbouw in Nederland de grootste emittent, met name van methaan uit koeien en mest. Tussen 1990 en 2016 is de emissie van de melkveehouderij per saldo nauwelijks veranderd. In dezelfde periode daalde de carbon footprint van melk in Nederland met circa 32% naar 1,17 kg CO2/kg melk in 2016. De daling van het aantal koeien had geen impact op de carbon footprint van melk. De daling van de carbon footprint werd onder andere veroorzaakt door de stijging van de melkproductie per koe (+39%) en de daling van het aandeel jongvee per melkkoe. De Duurzame Zuivelketen (DZK), een initiatief van NZO en LTO, speelt een belangrijke rol in de keten. Ze heeft verantwoordelijkheid genomen voor de doelen. Die zijn in een bredere context geplaatst door ook doelen te formuleren voor bijvoorbeeld biodiversiteit en weidegang. Ook zijn diverse tools ontwikkeld (onder andere energiescans) en projecten gestart (onder andere jumpstart monovergisting).  

Varkenshouderij

De emissie van de varkenshouderij is tussen 1990 en 2016 gedaald door een lagere methaanemissie uit mest en een daling van het gasgebruik. De carbon footprint van varkensvlees is tussen 1990 en 2016 met circa 35% gedaald naar 4,26 kg CO2/kg varkensvlees. De carbon footprint van varkensvlees is tevens gedaald door een veranderde samenstelling van het voer en een toegenomen efficiency van vleesproductie, dus minder voer per kg vlees.

Pluimveehouderij

De emissie van de vleeskuikenhouderij is tussen 1990 en 2016 gedaald door een daling van het gasgebruik in stallen. De carbon footprint van pluimveevlees is in diezelfde periode met circa 46% gedaald naar 1,90 kg CO2/kg pluimveevlees in 2016. De daling van de carbon footprint van pluimveevlees is vooral gedaald doordat de efficiency van vleesproductie toenam. Er was met name minder voer nodig per kg groei. Verder is in figuur E te zien dat in 2016 meer dan driekwart van de emissie in het buitenland plaatsvindt, met name gerelateerd aan de inkoop van voer.  

Trend en effecten in het buitenland van de carbon footprint van pluimveevlees

Figuur E. Trend en effecten in het buitenland van de carbon footprint van pluimveevlees

De carbon footprint van kippeneieren is tussen 1990 en 2016 gedaald met circa 38% naar 1,70 kg CO2/ton kippenei. De grootste reductie trad op bij de dierhouderij door de overgang naar systemen met vaste mest. In tegenstelling tot de vleeskuikens is het energiegebruik in de leghennensector licht gestegen. 

Kalverhouderij

De emissie uit de kalverhouderij is tussen 1990 en 2016 licht gestegen, omdat er na 1990 ook kalveren met rosévlees werden gehouden met een hogere emissie uit de pens. De carbon footprint van kalfsvlees is tussen 1990 en 2016 met circa 50% gedaald naar 7,1 kg CO2/kg karkas. De emissies uit aangekocht voer zijn gedaald met circa 74%. Dat kwam met name door een switch van uitsluitend melkpoeder in 1990, naar weipoeder in 2016 als basis voor kunstmelk.

Open teelten

De sector open teelten omvat onder andere de akkerbouw, de vollegrondsgroenteteelt, de boomkwekerijen en de fruitsector. Grote akkerbouwgewassen in Nederland zijn onder andere suikerbieten, tarwe en aardappelen. De carbon footprint van suiker is tussen 1990 en 2016 gedaald met circa 41% naar 0,36 kg CO2/kg suiker. Dat komt vooral omdat de opbrengst aan suiker per hectare flink is toegenomen. Ook daalde het gebruik aan kunstmest. Vergelijkbare trends zijn waargenomen bij tarwe en aardappelen.

Bloembollen

De Nederlandse bloembollensector is wereldmarktleider en ligt goed op stoom met de implementatie van erkende maatregelen voor energiebesparing. Volgens de jongste monitoring rapportage van de sector was de totale CO2-emissie als gevolg van het energiegebruik 0,1 Mton in 2016. Daarbij is het energiegebruik van zowel de opengrondtelers als de broeiers in kassen meegenomen. Circa 23% van de tulpenbroeiers passen inmiddels meerlagenteelt toe met een aanzienlijke besparing op gas. Het doel uit de Meerjarenafspraak is een energie efficiency index (EEI) van 82,4 in 2016, terwijl de EEI blijkens de sectorrapportage (link) over 2016 uitkwam op 82,2. Het doel is daarmee gerealiseerd.  

Sector natuur, bos, landschap en houtketen (NBLH)

Ruim 10,5% van het oppervlak van Nederland bestaat uit bos. Ook natuurterreinen en openbaar groen kunnen fungeren als leverancier van biomassa. De doelstelling voor de NBLH in het convenant was de levering van 32 PJ in 2020 aan hout en niet-houtige biomassa voor energiedoeleinden. In 2016 werd 33 PJ door de NBLH geleverd. De doelstelling in het convenant was 32 PJ, dat doel is dus gerealiseerd. In het actieplan Bos- en Hout (2016) beschrijft de NBLH de uitgevoerde en nieuwe activiteiten om de nieuwe doelen voor 2030 te realiseren. In juni 2018 publiceerde Probos een studie met scenario’s voor 2030 en 2050.

Paddenstoelen

Het totale aantal bedrijven voor de paddenstoelenteelt bedroeg 132 in 2016, terwijl dat er in 1995 nog ruim 700 waren. De sterke daling wordt onder andere veroorzaakt door de toenemende concurrentie uit Polen en China, en door de hoge productiekosten in Nederland. De toepassing van maatregelen voor energiebesparing is de afgelopen jaren flink gestegen. Ook het aantal bedrijven dat één of meer maatregelen heeft toegepast voor hernieuwbare energie, is in de afgelopen jaren gestegen. Met name zonnepanelen en hernieuwbare energie uit biomassa en champost zijn populaire maatregelen.  Het doel uit de Meerjarenafspraak is een energie efficiency index (EEI) van 73,0 in 2016 terwijl de EEI blijkens de sectorrapportage over 2016 uitkwam op 81,8. Het doel is dus vooralsnog niet gerealiseerd.

Glastuinbouw

De glastuinbouw is een zeer dynamische en internationaal georiënteerde bedrijfstak. Internationale markt en concurrentie bepalen in hoge mate de ontwikkelingen. De Nederlandse glastuinbouw is bezig met een energietransitie, waarin gewerkt wordt aan vermindering van het verbruik van fossiele energie en vergroting van het aandeel duurzame energie. ‘Kas als Energiebron’ is het innovatie- en actieprogramma dat energiebesparing en het gebruik van duurzame energie in de glastuinbouw stimuleert. Het is een energie-intensieve sector, die al jaren goed presteert op energiegebied. Volgens de Glastuinbouwmonitor gebruikte de glastuinbouw 59% minder primaire brandstof in 2016 dan in het basisjaar 1990 en was de CO2-emissie 5,6 Mton CO2-equivalenten  in 2016, bij een doelstelling van 4,6 Mton in 2020.

9. Aandeel sectoren

Onderstaand is indicatief een verdeling opgenomen van het aandeel van de verschillende sectoren in de emissie van broeikasgassen, in energiegebruik en in de productie van hernieuwbare energie. Omdat de verzameling van data lastig is, kan slechts een indicatie worden gegeven. Er is aangesloten bij de sectorindeling van CBS en WEcR, waardoor bijvoorbeeld alle broeiers van bloembollen bij de glastuinbouw zijn vermeld, en om dubbeltellingen te voorkomen niet bij de bloembollensector. Voor het overzicht van emissies is aangesloten bij Emissieregistratie, waardoor bijvoorbeeld de emissies van diesel (mobiliteit) en elektriciteit (Energiesector) niet aan de landbouw zijn toegerekend. In het overzicht van energiegebruik zijn diesel en elektriciteit wel aan de landbouw toegerekend, conform de berekening van WEcR. Bij de productie van hernieuwbare energie is aangesloten bij de systematiek van CBS. Daardoor is bijvoorbeeld de inkoop van groene stroom niet meegerekend, die in sommige sectorrapportages wel is meegerekend.

Indicatie aandeel sectoren

Figuur F. Overzicht aandeel sectoren in 2016

Uit het overzicht blijkt vooral dat het aandeel van een sector per onderwerp sterk verschilt. Overigens biedt de carbon footprint van producten weer een ander perspectief. De NBLH, als belangrijke speler in het biomassa- en koolstofdomein is niet zichtbaar in bovenstaande figuren.